Blad plukken

Verschillende aardbeientelers plukken blad om verschillende redenen. Voor mij is dat niet altijd logisch.

Het principe van de aardbeienteelt is: gebruik zonlicht en probeer met dat zonlicht de beste aardbeien te telen. Geen zonlicht betekent geen aardbeien. Ook voor aardbeien geldt de 1%-regel:
1% minder instraling = 1% minder opbrengst

Bij ontbladeren verandert de instraling niet, maar wel de opname of benutting van het zonlicht.

Blad oppervlakte van 6 delen van een blad = totaal 2 bladeren. Blad oppervlakte: 536/2=268 cm2

We meten de LAI van aardbeien regelmatig. In veel gevallen blijft de LAI onder de 2,5, soms zelfs ruim onder de 2. De optimale LAI voor aardbeien is >2,8 (beter 3,2) om zoveel mogelijk zonlicht op te vangen.

Ontbladeren bij een lage LAI betekent: te weinig energie, dus: te weinig blad en/of aardbeien, wat leidt tot: lagere opbrengsten, slechtere smaak en kleinere vruchten.

Kunnen we bladeren plukken? Ja, maar:

  • Alleen als het bladoppervlak groot genoeg is (>3,2)
  • Alleen als het zinvol is (Blad beinvloed, bijvoorbeeld vruchtkwaliteit, ziektebeheersing, enzovoort)
Mooi gewas met een goede LAI. De nieuwe trossen komen er aan.

Bladeren uit het hart van de plant plukken om de bloei te stimuleren heeft bij aardbeien geen zin. Een aardbei is geen tomaat en reageert niet zoals een tomaat. Als je meer aardbeien wilt: zorg dan eerst voor voldoende bladoppervlak en ten tweede: teel in balans, dus niet te generatief en niet te vegetatief.

Waar ik bij veel aardbeienteelten echt mee worstel, is dat er onvoldoende LAI is, waardoor 10–30% of meer opbrengst verloren gaat. In dat geval zijn de aantallen er wel, maar blijven de vruchten simpelweg kleiner: veel werk met lage plukprestaties.

Irrigatie – Problemen

Goede irrigatie blijft een uitdaging. In onze praktijk als adviseur zien we zelden dat de irrigatie echt goed wordt uitgevoerd. De belangrijkste problemen zijn:

  • Van laat starten tot vroeg stoppen – waardoor er ’s nachts een grote uitdroging ontstaat
  • Vroeg starten tot laat stoppen – waardoor het substraat ’s nachts te nat blijft
  • Te veel joules tussen de irrigatiebeurten – waardoor het substraat uitdroogt
  • De minimale tijd tussen irrigatiebeurten te groot instellen, waardoor substraten op zonnige dagen uitdrogen
  • De maximale tijd tussen irrigatiebeurten te laag instellen, waardoor substraten op donkere, bewolkte dagen te nat blijven

Niet-optimale irrigatie veroorzaakt veel problemen. Van slechte vruchtkwaliteit (zacht, gevoelige vruchthuid) tot lage opbrengsten en een slechte houdbaarheid. Het is een van de belangrijkste factoren met betrekking tot vruchtkwaliteit.

Tot nu toe gingen we ervan uit dat er een lineair verband bestaat tussen straling (Watt) en verdamping. Daarom is irrigatie op basis van joules een van de meest betrouwbare manieren van irrigeren. Ik denk nog steeds dat dit een van de betere manieren is om je irrigatie in te stellen. Maar in hete zomers, of in omstandigheden met veel zon, zien we altijd droge substraten afnemende drainpercentages en een stijgende EC.

Irrigattie grafieken. Blauw: weegschaal (vochtgehalte); Rood: aardbeien vruchtgewicht; groen: Dagsom globale straling (Joule); oranje: Straling (Watt); staafdiagram: blauw: beurtgrootte; rood: drain%.

Een kleine aanpassing van je instellingen kan helpen. Voeg invloed van straling toe aan de giftgrootte: bijvoorbeeld in het bereik van 500-1000 Watt, voeg 10-20% toe aan je giftgrootte. Dit zal de giften op het heetste moment van de dag verhogen, maar ze aan het begin en einde van de dag weer verlagen.

Niet-optimaal systeem

In behoorlijk veel gevallen zien we dat het systeem niet in staat is om optimaal te irrigeren. Bij zonnig weer is de minimale tijd tussen irrigatiebeurten bijvoorbeeld 45 minuten, of beter gezegd 300-400 joules. Dat betekent dat opbrengst- en kwaliteitsproblemen al in het systeem ingebouwd zijn. Voor een goed systeem moet je minimaal elke 150 joules kunnen irrigeren met 400 ml/lm.

Een standaardinstelling zou er dan als volgt uit kunnen zien (let op: klimaat, LAI, substraat enzovoort bepalen uiteindelijk wat je optimale instellingen zijn).

  • Start irrigatie: 2 uur na zonsopgang (of beter 50-75 joules na zonsopgang)
  • Interval tussen irrigatiebeurten: 200 joule
  • Giftgrootte: 100 ml/druppelaar (of beter 400 ml per strekkende meter) – 5 druppelaars/lm is optimaal
  • Correctie op straling: 500-1000 Watt: + 10-20%
  • Laatste irrigatie: 2-3 uur voor zonsondergang
  • Minimum tijd tussen de irrigaties: 15 minuten
  • Maximum tijd tussen de irrigaties: 4 uur
  • [Bij deze twee laatste punten is het belangrijk om zeker te weten dat de instelling goed zijn voor jouw klimaat en gewas]

Maar het belangrijkste is altijd om te controleren wat je doet. Hoeveel water geef je, welk percentage drain krijg je, wat is de totale EC, de gift-EC, de drain-EC enzovoort.

Bepaal op basis daarvan welke veranderingen je in je instellingen moet aanbrengen.

Weersomslag

De afgelopen dagen hadden we schitterend weer met veel zon. Met afgelopen vrijdag een piek met hoge temperaturen en veel zon.

De planten groeien op zo’n moment enorm hard. Het lijkt er op, dat er een grote weersomslag aankomt, met warmte, maar ook een hoge RV en wat regen. Voor aardbeiplanten zeker als ze geoogst worden zijn zulke weersovergangen vaak moeilijk te verwerken.

Door actieve wortels en een plotseling hogere RV kunnen er gemakkelijk smetterige vruchten ontstaan. Een methode om daar mee om te gaan is, om bij zo’n plotselinge overgang iets droger te telen en daarna weer terug te gaan naar de normale irrigatie instellingen.

Bijvoorbeeld, als de watergiften staan ingesteld op elke 200 joule, verhoog deze straling tijdelijk naar 250-300 joule. Maar houdt het vochtgehalte wel in de gaten en houdt dit max 1 dag aan, liever korter.

Checklist – 2

Rond het planten zijn er veel elementen die aandacht krijgen en horen te krijgen. Plantdiepte, water geven, voeding, klimaat etc.

Allemaal belangrijk en jammer genoeg telt het niet naar boven op. Maar alles wat niet optimaal is werkt naar beneden toe, dus minder blad en minder opbrengst.

Bijvoorbeeld: beginnen met een lagere EC geeft minder blad aan het begin. Minder blad betekent minder energie en daardoor een langzamere bladontwikkeling en bloemontwikkeling. Dat werkt zo allemaal door naar de eindopbrengst.

Daarom in de bijlage de checklist met allerlei punten.

Zo’n checklist is een list in ontwikkeling. Over de jaren wordt zoiets steeds verder verfijnd, maar hiermee hebben we wel een insteek waarmee we de productie van de aardbeien aanzienlijk kunnen verbeteren. In Canada hebben we daarmee nu een paar jaar ervaring opgedaan.

Checklist

Het voorjaar zit zichtbaar in de lucht. Zeker met zulk mooi weer als vandaag gebeurt er weer veel. En veel betekent ook altijd veel werk dat er gebeuren moet voordat we weer oogsten kunnen.
In verband daarmee een soort van checklist voor belangrijke onderdelen rond het planten.

Plantdiepte
De top van de tray hoort ongeveer 1 cm boven het omliggende substraat te blijven. Op die manier droogt het hart van de plant beter op.
Er zijn rassen die gevoelig zijn voor koprot. Als de planten dieper geplant worden, komt er meer koprot en daardoor uitval voor. Soms van hele planten, maar vaker van neuzen of van trossen. Dit kan tot laat in het seizoen doorgaan.


Aansluiting
als er geen goed contact met het substraat is groeien de wortels daar moeilijker. Soms is te zien dat door slecht contact maar op 60% van de trayoppervlakte wortels groeien.

Plaats van druppelaars
Plaats de druppelaars altijd mooi tussen de planten in. Niet te dichtbij en niet te ver weg, op een gelijke afstand van de planten. Verschillen leveren altijd verschil in ontwikkeling op.

Vochtgehalte
Bij het planten moet het vochtgehalte van het substraat minimaal 40% zijn, anders kan het substraat het vocht uit de trays opnemen. Dat kan groeivertraging opleveren.

Vochtgehalte
De wortelontwikkeling komt normaal na het planten langzamer op gang als de bladontwikkeling. Daardoor is er vrij gemakkelijk een tekort aan vocht en voeding in de plant.
Ons advies is om te zorgen voor voldoend vocht:
– week 1-3: 45-55% vocht
– week 4-12: 40-47% vocht
– later: afhankelijk van de inklinking van het substraat, de doorworteling en de leeftijd. Doordat het substraat dichter wordt moet het vochtgehalte ook hoger zijn (er zit veel vocht in de wortels, die wel gemeten wordt, maar niet in het substraat zelf zitten).

Voeding
Doordat de wortels nog klein zijn en weinig kunnen opnemen en de bladgroei sterk kan zijn in het begin ontstaat er gemakkelijk een tekort aan voeding. Daarbij is in nieuw substraat het voedingsniveau algemeen laag tot zeer laag. Daarom is ons advies:
– wk 1-2: EC voeding 2,5 (controleer de pH wel, zodat deze niet te laag wordt)
– wk >2: EC voeding normaal

De plantbalans is essentieel voor een goede groei en ontwikkeling. Als een plant veel bloemtrossen heeft, kan er gemakkelijk een te generatieve plant ontwikkelen met op den duur te kleine aardbeien, weinig smaak en een volgende flush die veel te laat komt (Doordragers).
Als de plant te vegetatief is, kan dat opbrengst kosten (afhankelijk van hoe vegetatief, maar geeft het ook grotere vruchten en een betere smaak.
Plantbalans is daarom ontzettend belangrijk.
Voor het sturen in plant balans hebben we een redelijk aantal mogelijkheden. Voeding en watergift zijn daar een paar van:

Voeding
Als u meer
– vegetatieve groei wilt: een dEC van <0,5
– generatieve groei wilt: een dEC van >0,5
dEC is delta EC = het verschil tussen druppel EC en drain EC

Voldoend ammonium in het recept (kijk uit, vanaf de vruchtontwikkeling kan ammonium de vruchtkwaliteit beïnvloeden).

Watergift
Richtlijn bij de teelt op organische substraten (kokos en veen)
Stimulering van vegetatieve groei:
– intering tussen de laatste en eerste irrigatie (de volgende dag): 2,5-3%
– intering tussen de laatste irrigatie en zonsondergang: 1,5%
-intering tussen zonsopkomst en de eerste irrigatie: 1%
Stimulering van generatieve groei
– intering tussen de laatste en eerste irrigatie (de volgende dag): 4,5-5,5%
– intering tussen de laatste irrigatie en zonsondergang: 2,5%
– intering tussen zonsopkomst en de eerste irrigatie: 1,5%
Belangrijk hierbij is wel, dat er ook andere redenen kunnen zijn om hier vanaf te wijken, zoals de gevoeligheid van rassen voor ziektes als verticillium, phytophtora, neo en koprot.
De optimale intering overdag hangt ook af van de hoogte/breedte verhouding van de teeltbak of teeltmat/teeltzak.

Spint – Eradicoat

Spint is voor de meeste telers niet een groot probleem meer. Vooral daar niet waar met predatoren (Andersoni, Persimilis, Californicus) gewerkt wordt. Als dit op tijd gebeurt en er wordt niet gespoten met schadelijke middelen, zien we normaal geen grote problemen.

Sinds een tijdje bestaat het biologische middel Eradicoat. Dit is een middel op basis van maltodextrine met een fysieke werking.

Afgelopen jaar hebben we in verschillende landen ervaring opgedaan tegen vooral spint. En de resultaten zijn tot dusver erg goed, beter als ik verwacht had.
Het middel werkt niet alleen tegen spint, maar ook tegen bladluis, witte vlieg en trips.

Belangrijk is, dat het een contactmiddel is, dat betekent praktisch, dat het middel de insecten moet raken. Wat niet geraakt wordt gaat wordt niet bestreden.
Verder is het belangrijk dat het middel zo gauw mogelijk opdroogt. Dat houdt dus in, bestrijden als het snel droogt overdag: kort na de middag vaak.

onder de foto is meer informatie over de toepassing

Meer informatie:
Toelatingen: meest actuele informatie: https://toelatingen.ctgb.nl/nl/authorisations/23316
Bijen: het middel is gevaarlijk voor bijen, daarom niet gebruiken op of in de buurt van bloeiende gewassen.
Bij twijfel over de verdraagzaamheid eerst een proefbestrijding uitvoeren.
Veiligheidstermijn: geen

Toelating (28-8-2025) in de bedekte teelt:
– Dosering: 2 l/100 l water
– Minimum interval tussen de behandelingen: 3 dagen
– Maximum aantal toepassingen: 20 per teeltcyclus en 40 per 12 maanden

Toelating (28-8-2025) in de onbedekte teelt:
– Dosering: 2 l/100 l water
– Minimum interval tussen de behandelingen: 3 dagen
– Maximum aantal toepassingen: 5 per 12 maanden

Pasen 2025

De maagd bevalt
God is veroordeelt
Mens opgestaan uit de dood
– Pasen –

For Christenen het belangrijkste feest: God houdt zoveel van ons, dat Hij voor ons op deze aarde leefde, dat Hij voor ons geleden heeft, zodat wij een nieuw leven krijgen.
Zo is voor mij het nieuwe voorjaar, de nieuwe bloemen, de nieuwe aardbeiplanten die groeien elk jaar opnieuw een tegen van dat nieuwe leven.

Paasboodschap: https://www.bible.com/bible/3699/JHN.20.EBV24

Daarom wensen we iedereen van harte gezegend opstandingsfeest.

J/GDH(8) – 2

Dit voorjaar hebben we ongekend veel zon. Een teler die ik vandaag bezocht had de totale straling van maart opgeteld: ongeveer 33.000 Joule, terwijl er vorig jaar (2024) ongeveer 20.000 Joules opgeteld waren.

Dat zien we terug in veel gewassen.

Zoals boven op de foto te zien is: erg sterke bloemtrossen, hele dikke bloemstelen en mooi blad.

En dan komen we terug bij J/GDH(8) zoals in het artikel hiervoor. De laatste tijd hebben we enorm veel J/GDH(8). Waardes die al gauw richting de 10-12 gaan. Normaal streven we naar waardes van ongeveer 4-8 J/GDH(8), afhankelijk van plantbelasting.

Deze groffe trossen en bladstelen bevestigen het systeem van J/GDH(8): hoge waardes laten zien, dat de plant veel energie heeft cq over heeft. En dat is nu net wat we willen weten: is de temperatuur te hoog of te laag voor de straling die we hebben? Ofwel, moeten we meer stoken, of minder stoken, of als er belichting geinstalleerd is, moeten we meer of minder belichten.

Als de J/GDH(8) te laag worden, heeft de plant minder energie over, daardoor ielere bladstelen, kleinere trossen, kleinere aardbeien.
Is de J/GDH(8) hoger, dan heeft de plant meer energie over, waardoor er dikkere blad en bloemstelen ontwikkelen, grotere trossen en dikkere aardbeien groeien. Of tijdens de pluk, de smaak van de aardbeien beter wordt.

Ergo, met de term J/GDH(8) hebben we een methode om energie in de aardbeien beter te begrijpen.

Temperatuur / Straling

Voor het bepalen van de optimum temperatuur bij aardbeien kijken we normaal naar de stralingssom. Bij een hogere stralingssom houden we een hogere temperatuur aan, bij een lagere stralingssom een lagere temperatuur.

Hieronder is de normale tabel te zien met de relatie tussen straling en temperatuur.

Het is heel goed te zien, dat de temperatuur begint bij 11,5 oC / 10oC (Winter). Bij een lage straling functioneert dat niet: er wordt dan aanzienlijk meer energie verbruikt, als geproduceert uit straling. Dat is te zien in gewassen die versleten zijn: geel verkleuring, geen nieuwe bloemtrossen, geen nieuw blad, en geen nieuwe witte wortels.

Bij hoge stralingen wordt de maximum temperatuur afhankelijk van het doel 15,5-23oC. Terwijl de praktijk in landen met veel straling laat zien, dat een hogere temperatuur heel goed mogelijk is. Het is zelfs vaak onmogelijk vanwege het klimaat om de doeltemperaturen te halen.

In verband daarmee heb ik de relatie tussen straling en temperatuur op basis van mijn ervaringen (geen hard onderzoek!) herschreven. Uitgangspunt daarin is het begrip groeigraaduur en joule: Joule/GDH(8). De 8 staat daarbij voor de basis temperatuur. Met dit systeem worden 2 dingen veranderd:
– de optimum lijn komt schuiner te liggen: bij een lagere straling een lagere temperatuur en bij een hogere straling een hogere temperatuur
– Joule/GDH(8) geeft een waarde aan voor de geschatte energie die een plant heeft voor groei en ontwikkeling. In de praktijk wordt ook met RTR gewerkt, voor mijn gevoel geeft Joule/GDH een betere benadering van de term.
Deze wordt op de volgende manier uitgerekent: Joule/((gem Temp – 8)*24)). Een voorbeeld:
Op een dag is er 1000 Joule straling.
De gemiddelde temperatuur = 16 oC
Berekening:
1000/((16-8)*24) = 1000/(8*24)=1000/192 = 5,2 J/GDH(8)

Hierbij gelden de volgende optimum waardes:
– geen belasting: 4-6 J/GDH(8)
– matige belasting: 5-7 J/GDH(8)
– sterke belasting: 6-8 J/GDH(8)

In een grafiek zien de beide methoden voor het normale temperatuurregime er als volgt uit:

Hier is heel goed te zien, dat bij de lage straling het systeem van J/GDH(8) een aanzienlijk lagere temperatuur geeft en bij een hoge straling een aanzienlijk hogere temperatuur.

Als we de temperatuur (J/GDH8) voor een vroege teelt inzetten, is de begin groei wat langzamer, maar de eindgroei wat sneller. Daarmee is de teelt praktisch niet later als bij de standaard tabel.

Voordeel van het werken met de J/GDH(8) is, dat dit gemakkelijk in registratiesystemen te verwerken is (bv in Excel). Dat geeft heel snel een overzicht van de J/GDH(8) waarmee gewerkt is: hoog / normaal / laag, en daarmee van de risico’s van de gerealiseerde temperaturen.

In Canada heb ik hier nu 2 jaar mee gewerkt, met mooie inzichten in wat er gebeurt in planten. Als de J/GDH(8) hoog zijn, is dat te zien in meer groei van blad, bloemknoppen en wortels. Zijn deze laag, dan valt de groei van die planten op den duur terug. Doordat de temperatuur relatief hoger is, groeit het gewas eerst wel wat sneller, maar op termijn kost dit productie.

Wel belangrijk is, dat er andere argumenten kunnen zijn om met een hogere of andere temperatuur te gaan werken. Zoals bijvoorbeeld:
– het voorkomen dat een plant in rust gaat
– vruchtkwaliteit kan bij een te lage temperatuur niet goed zijn
– kasklimaat
– ziektedruk